Wat ik nu toch zag…de waarnemende vrijwilliger

Wat ik nu toch zag… Column van een Info- en servicevrijwilliger
De eerste keer dat ik hen zag, zat zij op de rode bank, rechts van de hoofdingang. Hij zat op de rode bank links. Zij leek enigszins timide voor zich uit te staren, hij keek vrolijk om zich heen, vooral naar het passerend vrouwvolk. Gewoon twee mensen die urenlang kunnen gebruikmaken van het gemak dat de bibliotheek biedt. Enkele weken later kwam zij binnen en ‘haar’ plekje was al bezet door een tweetal druk pratende vrouwen die ook nog sterk geurende hapjes verorberden. Zij liep even zoekend rond en ging vervolgens op de vrij gekomen plaats naast hem zitten.  Twee individuen, door toeval naast elkaar terecht gekomen. Het eerste contact tussen hen heb ik gemist omdat ik de vrouwen met hun geurende hapjes ging verzoeken om buiten de bibliotheek te eten. Ik werd aangesproken met ‘schat, lieverd’ en kreeg een deel van hun maaltijd aangeboden. ‘Nee, dank u’. De vrouwen wilden mijn afkomst weten maar daar ging het nu niet over. Na enige, toenemende, druk van mijn kant pakten zij hun picknickboeltje en vertrokken. Hij en zij waren ook weg. Tijdens de Dino-Expo in de zomervakantie zag ik hen zo nu en dan. De Dino-kop blokkeerde mijn uitzicht en het was gewoon ‘berendruk’.  Aan het eind van de zomervakantie zag ik hen weer, druk in gesprek. Zij had een metamorfose ondergaan, lachte en leek bijna te stralen. Was hier wat moois ontstaan? In de herfstvakantie zat zij alleen op de bank. De week erna ook. Zij leek weer wat timide. Plotsklaps zag ik hen weer samen. Druk in  gesprek en zij straalde weer. Als ik langs hen loop om de brochures te ordenen groet hij, met een brede lach. Zij kijkt wat stug naar mij. Ik wil geen stoorzender zijn in dit prille geluk en loop weer snel door. De bibliotheek brengt mens en boek bij elkaar. Maar ook mens en mens. Wie durft nog het belang en de sociale functie van onze bibliotheek te betwijfelen.

 

Eerder geschreven voor de interne pagina van de Centrale Bibliotheek Rotterdam

dd. 17 februari 2019

“Is tie er nog niet?
Elke veertien dagen heerst op de dinsdagmiddag, in de centrale hal, een gespannen verwachting. De oudere Rotterdammer doet eerst de boodschappen op de markt en komt dan nog even in de bibliotheek de gratis krant’De Oud-Rotterdammer’ halen. Sinds medio december 2018 is deze routine verstoord. Voorheen kwam de oudere verwachtingsvol binnen en zag vanuit de verte de stapels verse kranten liggen. Zo blij als een kind pakte hij een krant, hield hem glunderend omhoog en riep: ‘Nu ga ik thuis lekker lezen, hoor!’.
Vanaf januari 2019 is zijn plezier danig verstoord. Bij binnenkomst grijnst hem een lege plank tegemoet. De ferme stap wordt onzeker, de blik wordt vragend. En dan ontwikkelt zich de volgende conversatie:
Hij: “Is tie er nog niet?”
Ik : “Nee, hij is laat vandaag”
Hij: “Komt ie vandaag nog?”
Ik : “Ik hoop het wel. Er komen veel mensen naar vragen”.
Hij: “Zeker een nieuwe bezorger?”
Ik : “Dat zou best kunnen”.
Hij: “Dan kom ik morgen nog even langs”.
Ik : “Dat is goed”.
Terwijl hij naar de uitgang loopt, kijkt hij nog enkele keren om, of de stapel inmiddels toch is neergelegd. De stevige, verheugde stap bij binnenkomen lijkt enigszins onzeker en teleurgesteld bij vertrek. Bovenstaande speelt zich nu enkele maanden af. Hopelijk wordt de situatie snel anders, weer net als vroeger. En liggen de stapels nieuwe kranten weer klaar voor de oudere Rotterdammers. Dan blijft zijn stap bij binnenkomst én bij weggaan blij en verwachtingsvol. Hier ligt een schone taak voor ‘De Oud-Rotterdammer’.

Waar hij staat wordt uiteraard ook zij bedoeld.

Eerder geschreven voor de interne pagina van de Centrale Bibliotheek Rotterdam
25 februari 2019